Hei komt twee keer voor in de Naam יהוה. Het is een geblazen letter — louter ademstoot. God geeft Abram de hei uit Zijn Naam en hij wordt Abraham (Gen 17:5); Sarai wordt Sarah. Hei is het geschenk van Gods adem in een mens. Vijf is volheid van genade: vijf boeken Tora, vijf wonden, vijf broden voor vijfduizend.
De Zohar onderscheidt hei ilaa'ah (hoge hei) en hei tata'ah (lage hei) — de openbaring boven en beneden. De vorm ה heeft een opening onderaan (teshuvah — terugkeer is altijd mogelijk) en een opening opzij (toegang tot de Tora). Bracha's beginnen met baruch dat hei-klank draagt.
BDB ziet hei als hamza met aspiratie, een adem. Christelijk: de Geest is pneuma (adem) in het NT; de hei in YHWH is de stille aanwezigheid van de Ruach. Genesis 2:7 — God blaast adem in Adam — gebruikt de nefesh, maar de letter-theologie van hei als adem vindt hier haar climax.
Paleo-hei 𐤄 lijkt op een mens met opgeheven armen: "zie!" of "hier ben ik". Benner: behold, reveal, the. Deze pictografische lezing sluit aan bij het gebruik van hei als bepaald lidwoord (ha-) en vragend partikel — maar linguïstisch wordt hei als artikel verklaard uit Semitische grammatica, niet uit het beeld.
God voegde een he toe aan Abrams naam (Abraham) en aan Sarai (Sara) — en met die ene letter kwam er ruimte voor een zoon. De he is de adem die God geeft. Elke keer dat u uitademt, klinkt het zwak: hē. Uw adem roept Zijn Naam. Alles wat adem heeft, love de HEERE (Ps 150:6).